Excel, formules

Hoe werk ik met formules (en functies) binnen Excel ?
Stap 1 - Een formule invoeren
We zijn klaar voor het invoeren van een eigen functie (formule). Een enkele toetshandeling is maar nodig om Excel te informeren dat een formule zal worden ingevoerd.
Druk op het 'isgelijk'-teken (=). Als je na het '=' teken de formule invoert, zal Excel de berekening voor je uitvoeren. Deze pagina zal uitleg geven over een viertal operators (de meest gebruikte) die in
formules kunnen worden gebruikt, namelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
Stap 2 - Formule met optelling
Als je de getallen in kolom B wilt optellen zou je kunnen zeggen "zes plus drie". De formule
kan op dezelfde manier worden ingevoerd: "=6+3"
en Excel zou het verwachte antwoord in de betreffende cel tonen, namelijk: "9". De formule zou echter waardeloos zijn als de getallen in B2 en B3 zouden worden veranderd. Daarom gebruiken we in een formule niet de waarden, maar verwijzingen naar cellen waarin de waarden zich bevinden.
Dus als je de formule maakt, voer dan in:
"=B2+B3"
Als je bezig bent met het invoeren van de formule en drukt vervolgens op cel B2, dan
zal de celverwijzing naar B2 in de formule worden opgenomen. Zodra je de formule goed
hebt ingevoerd, kun je de invoer accepteren door op <enter>/<return> te drukken. Ook kun je op het groene "V"-teken (Invoeren) naast de formulebalk. Ben je het niet eens met de invoer, dan kun je het rode "X"-teken (Annuleren) indrukken om de bewerking te annuleren.
|