Excel, Visual Basic for Applications

Hoe werk je met variabelen ?
VBA Variabelen
Variabelen zijn benoemde delen van het computergeheugen waarin informatie wordt bewaard. Deze informatie kan worden benaderd via de naam van de variabele. Variabelen bevatten verschillende types informatie. Ze hebben een gegevenstype.
Wanneer een nieuwe naam in een macro wordt gebruikt, wordt door VBA een nieuwe variabele gedefinieerd. Het datatype van deze variabele is standaard een "variant".
Manipuleren met variabelen
- Variabelen worden automatisch gedefinieerd.
- Aan variabelen worden waarden toegekend met behulp van het teken "=".
- Variabelen van hetzelfde gegeventypte kunnen bij elkaar worden opgeteld
- Variabelen met tekst en getallen hebben verschillende gegevenstypen.
- Met de methode "MsgBox" wordt een melding gegeven.
Gegevenstypes
- Boolean (True or False)
- Integer (9,2,3 etc.)
- Long (63465834568734, 4376545684658)
- Single (3.8989898)
- Double (8.758785438578347584588)
- String (”This is some text”)
- Variant (can contain any type of data)
Definiëren variabelen
Variabelen worden gedeclareerd door het gereserveerde woord "Dim"(afkorting van dimension).
Het gegevenstype van een variabele moet worden aangegeven indien "Option Explicit" bovenaan in de code is opgenomen. Doe je dit niet, dan zal een foutmelding worden gegeven.
| Om een bereik in een werkblad te benaderen kunnen we schrijven: |
Range(”A1:B16”) |
| Voor het benaderen van een cel schrijven we: |
Cells(2,3) |
| De waarde van een bereik kan worden gegeven of gelezen met: |
Range(”A1”).Value = 123 |
| De formule voor een bereik kan worden gegeven door: |
Range(”A1”).Formula = ”=AVERAGE(A1:B16)” |
| Het lettertype van een bereik kan worden gewijzigd door: |
Range(”A1:B16”).Font.Bold = True |
| De kleur van een bereik kan worden gewijzigd door |
Range(”A1:B16”).Interior.ColorIndex = 3 |
|